Interview Mirjam Schulte

Mirjam Schulte: “Dat bewoners kunnen leven zoals zij het fijn vinden…”

“Toen ik op de Plaggeweg kwam werken ging het puur om de zorg: de cliënten netjes aankleden en in de stoel zetten. Nu is dat anders. Nu werken we ‘met de handen op de rug’. Dat leer je niet van de ene dag op de andere.” Mirjam Schulte begon op haar negentiende jaar te werken in Het Dorp, binnenkort werkt ze er dertig jaar. “Ik ben ietsje ouder dan Het Dorp.”

“Toen ik kwam werken, waren er geen vaste teams. Je werkte over een hele straat. De straten waren verdeeld in kleuren en in de personeelskamer hing een bord met lampjes. Als er een lampje ging branden wist je door de kleur waar je moest zijn. Dan kwam je de straat in en dan stonden er soms drie mensen voor de deur, die hadden dan allemaal gebeld maar je kon niet zien wie eerst was. Je dienst begon om zeven uur ’s morgens, ook in het weekend als mensen wilden uitslapen. Je wachtte tot iemand belde. In het weekend had je soms het eerste uur niks te doen, dan gingen we een cake bakken. Later kregen we een piepersysteem, dan kon je zien wie er het eerst had gebeld. We gingen ook in kleinere teams werken. Je verzorgde dan tien in plaats van dertig bewoners. Het tijdstip waarop was in overleg met hen bepaald. Dat was prettig.”

Nieuwe doelgroep
“Nu is het anders. Sinds twee jaar werk ik voor een andere doelgroep: jong volwassenen. De bewoners hebben hun eigen bewonersoverleg, dat ze zelf voorzitten, in aanwezigheid van de teamleidster. Dat is een heel andere manier van werken. Dat was moeilijk, want je bent gewend te zorgen en te regelen voor de bewoners. Mijn valkuil is dat ik soms nog te snel help in plaats van te ondersteunen. Je kijkt nu eerst naar wat de bewoner wil en of hij dat zelf kan en wat hij eventueel nodig heeft om het zelf te kunnen doen. Zoiets leer je niet van de ene dag op de andere. Ik heb dat geleerd door veel te praten, door veel feedback. Je leert van elkaar, van stagiaires, van nieuwe collega’s, die deze manier van werken al kennen. Van nieuwe mensen kun je leren, vind ik. Tegelijk leren zij ook van mijn ervaring. Dat je bijvoorbeeld rust moet nemen, dat je een luisterend oor biedt, dat je je kunt verplaatsen in de cliënt.”

Toekomst?
“Hoe de toekomst wordt? Daar kan ik me niet veel bij voorstellen, daarom vind ik het belangrijker hoe het nu is. Ik heb nu vijf cliënten waar ik de persoonlijke begeleider van ben. Ik voer wekelijks gesprekken met hen, over waaraan ze willen werken of wat ze willen leren en hoe ik hen daarbij kan ondersteunen. Het gaat erom dat de bewoners de dingen zelfstandig kunnen doen en dat geeft mij ook een goed gevoel. Ik vind het belangrijk dat de bewoners kunnen leven zoals zij het fijn vinden, maar ‘het zorgen voor’ zit in mijn systeem. Ik weet dat ik het moet afleren, maar ik mis het soms ook wel een beetje.”

terug